Plaggen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Bodemprofiel van heidegrond. De bovenste laag met planten en wortels is de zode

Plaggen is het verwijderen van de bovenste grondlaag met begroeiing. Een afgestoken zode van een gras- of heideveld is een plag.

[bewerken] Historisch gebruik

De in het beekdal of op de heide weggestoken plaggen werden vroeger gebruikt als ondergrond voor de dieren in potstallen en schaapskooien. De plaggen werden met de dierlijke uitwerpselen in de stal gecomposteerd en later naar de akker op de es gebracht om die te bemesten. Hierdoor ontstond na eeuwen een plaggendek, een laag waarin de minerale delen van de bemesting bewaard bleven. In bodemkundig opzicht spreekt men wel van enkeerdgrond. Plaggenbemesting kwam in Noordwest-Europa vooral voor op arme zandgronden, vanaf de late middeleeuwen tot de komst van de kunstmest in de 19e eeuw.

In Drenthe kwam de plaggenbemesting pas vanaf de 17e eeuw op gang. De historisch-geograaf Theo Spek wist de mythe te ontkrachten dat de essen 1 millimeter per jaar opgehoogd zouden worden. De groei was veel diverser, en vaak minder.[1]

Heideplaggen werden ook op grote schaal gebruikt als brandstof en bouwmateriaal.

[bewerken] Natuurbeheer

Tegenwoordig is het plaggen een beheermaatregel, die veelal machinaal gebeurt. Het dient om de vegetatie te verjongen. Door het plaggen verdwijnt de onnatuurlijk verrijkte of vervuilde strooisellaag en wordt de grond veel armer aan voedingsstoffen. Dit geeft specifieke plantensoorten de kans opnieuw tot ontwikkeling te komen. Heidegebieden zijn een bijzonder type cultuurlandschap dat zonder intensief begrazen en plaggen snel zal vergrassen en verbossen. Ook in bijvoorbeeld groene duingebieden kan op deze wijze de oorspronkelijke vegetatie worden teruggehaald.

Een gebied kan ook plaatselijk afgeplagd worden om het maaiveld dichter bij het grondwater te brengen. Er ontstaat dan een in een natuurgebied vaak gewenste nattere situatie. Als er dieper dan de zode dik is geplagd wordt is het afgraven en noemt men het ontgronden.

Voor de fauna op de heide kan het plaggen een bedreiging zijn omdat veel reptielen oude structuurrijke heide prefereren. Adders hebben in een heidegebied vaak een voorkeur voor stukken die vergrast zijn door het pijpenstrootje. Als het plaggen kleinschalig en niet al te vaak gebeurt is het negatieve effect op de fauna echter gering.

Archeologen hebben vaak hun bedenkingen tegen het afplaggen omdat het (pre-)historische sporen kan beschadigen.

Alternatieve beheermaatregelen zijn begrazing, bemaaiing en het periodiek verwijderen van uitgezaaide boompjes.

Referenties:
  1. Spek, Th., 2004. Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie. Matrijs, Utrecht.
Persoonlijke instellingen